Geschreven door Stichting Burnout op 20 juni 2019 in blog

Bij burn-out wordt meestal in eerste instantie gedacht: ‘Verschrikkelijk!’ Het is waar, het voelt in eerste instantie, en wellicht nog het eerste jaar, verschrikkelijk aan. Maar met de juiste begeleiding kun je er in 6-9 maanden van af zijn, met veel lessen waar je de rest van je leven profijt van hebt.

Als ik, als directeur van Stichting Burnout, kijk naar mijn eigen burn-out – in 1993 – was ik in eerste instantie vol angst. ‘Ojee, ik presteer niet meer, misschien proberen ze me snel te ontslaan!’. Dat laatste viel wel mee, mede omdat ik jaren goed gepresteerd had en de nodige medestanders had (‘Philippe is een goede en intelligente kracht’). Omdat 1993 nog vrij vroeg was in de jonge geschiedenis van burn-out (de geschiedenis die begon in 1974 toen psycholoog dr Herbert Freudenberger er voor het eerst wat over schreef), en omdat internet nog niet bestond (althans: geen publiekelijke versie met allerlei aanbieders) was het moeilijk goede hulp te krijgen. Mijn huisarts keek mij zwijgend en indringend aan….ik moest een beetje huilen. Hij gaf me een kaartje van een psycholoog in de buurt.

Deze psycholoog zei wel dat ik burnout was. Tests nam hij niet af. De rest van de therapie hielp soms, maar was niet ideaal. Hij ging totaal niet met mij gestructureerd na wat mijn opleiding was, wat mijn werk was, hoe dat werk eruit zag, en wat mijn chronische stressoren waren, of wat mij ‘geknakt’ heeft op het werk. Hij was zelf zo graag aan het woord. Over dat knakken gesproken: ik herinner me dat ik mij een ochtend zo gebroken voelde, zo emotioneel uitgeput, dat ik de hele ochtend nog niet een half A4 af kreeg waar de projectleider op zat te wachten. Soms trok ik die al die priemende blikken niet, en verborg ik me op de WC. In deze afgeslotenheid deed ik kleine nieuwe moed op, maar weer eenmaal aan de laptop kwam er nauwelijks een zinnige zin op papier. De projectleider wond zich met name over het langzame tempo op, en mijn directe directeur vroeg naar mijn ‘medical condition’. Daar wist ik niets op te antwoorden. Ik wist wel dat ik deze nieuwe functie, en afdeling (een zeer hard bedrijfsonderdeel van een Amerikaans bedrijf) totaal niet mocht: het deed me geen enkel plezier, ik had alleen ja gezegd tegen de functie omdat ik er veel van zou leren en een goede vervolgfunctie mogelijk zou zijn.

Mijn baas wilde van mij af, maar ik had geluk: een directeur van een ander bedrijfsonderdeel, waar ik eerder met plezier en in veel meer gemoedelijkheid had gewerkt, wilde mij wel terug hebben. Zo kreeg ik ‘luwte’, de mogelijkheid om in andere, mij steunende omgeving van 10 of 11 tot 16 uur te werken…niet meer dan ik wilde.

De psycholoog probeerde elke week het nieuwste boek op mij uit zonder naar de juiste dingen te vragen….zijn therapie had eigenlijk een fundamentele boodschap: ‘Ik moest anders zijn’, maar hoe anders, en hoe dat te worden vertelde hij er niet bij. Met het lood in de schoenen, alsof ik een relatie ging uit maken, belde ik de laatste keer bij deze psycholoog aan. Ik ‘maakte het uit’. In de jaren daarna ben ik hem nog wel eens op straat tegen gekomen: hij zag er niet zo gelukkig uit, meed mijn blik en ging geen gesprek aan. ‘Het was goed om ermee te stoppen’ dacht ik toen.

Zonder hulp van buitenaf is het wel moeilijker om burn-out lessen te leren….want als je burn-out wordt, dan heb je zelf ook heel wat verkeerd gedaan (naast dat de werkgever zijn ‘zorgplicht’ niet goed is nagekomen). Een sympathieke oud collega van mij, Italiaan, Sergio Caglioni, zei mij door de telefoon: ‘Het gaat erom dat je de lessen leert hoe je hier in terecht bent gekomen, dat is belangrijk voor de rest van je loopbaan’. Ik vond dat geen leuke woorden, want het leek me een loodzware taak die lessen te leren.

Zonder erg veel lessen te leren, behalve in elk geval éen: geen Amerikaans bedrijf meer, geen gekmakende hiërarchie meer die alles van je eist, kwam ik bij een Nederlands organisatieadviesbureau. De sfeer was veel beter, dus daar kon ik in zekere zin ‘bijkomen’ van de burn-out (bijkomen ondanks 40 uur werken kan). De lessen ‘waarom ik in 1993 burn-out werd’ heb ik zelf langzamerhand geleerd, naar aanleiding van documentaires, en de toen schaarse boeken die ik over burn-out kon vinden. Ik dach wel, toen ik maximaal burn-out was: ‘Als ik hier uit kom, schrijf ik op hoe ik het gedaan heb zodat ik andere mensen ermee kan helpen’. Dat was 1993 – het zou pas tot 2006 duren voordat ik Stichting Burnout opzette.

Nog steeds komt het af en toe voor dat klanten mij doen denken aan een aspect van mijn burnout uit 1993 (we zijn nu in 2019!). Alles (?) overziende, kan ik nu zeggen wat ik fout gedaan heb, en waardoor ik in een burn-out kwam. En wat ik heb geleerd om anders te doen.

  1. Werk doen dat niet past bij je opleiding. Ik was van opleiding ingenieur, maar wilde daarna ‘breed het bedrijfsleven in’, ik zou wel zien wat ervan zou komen. Ik was o.a. hoofd van een  bedrijfseconomische afdeling. Steeds meer vrat aan mij: ‘Je mist de juiste ondergrond’. Ik ontwikkelde plannen om een MBA te doen, of bedrijfskunde te studeren, maar  zowel qua geld als tijd kwam het er niet van (pas veel later in mijn leven ben ik ook psychologie gaan studeren). De praktijk vrat dus aan mijn zelfvertrouwen, ik meende een stuk achtergrond te missen. Twijfel aan jezelf is een van de 3 burn-out kenmerken volgens Maslach.
  2. De breedte ingaan. Zoals veel jonge mensen maakte ik de fout: ‘Na de studie zo snel mogelijk zoveel mogelijk leren, in de breedte!’. Dat leren is wel leuk voor jezelf, maar wordt absoluut niet gewaardeerd door volgende headhunters of werkgevers. Zo had ik bijvoorbeeld fabrieksaudits, marketing audits, financiële audits, hr audits gedaan in Europa, Afrika tot en met Saudi-Arabië, maar werkgevers en headhunters erna keken ‘alsof ze water zagen branden’. Ze kunnen zich bij die breedte niets voorstellen omdat ze zelf een beperkte ervaring hebben, bovendien willen headhunters ervaring zien in 1 vakgebied, en daarin: zoveel mogelijk jaren specialisatie. Of: management, maar dan wel met aantoonbare successen binnen 1 branche. Wie als jongeling voor de breedte gaat valt met op zijn 30e of wel 35e tussen wal en schip: overal verstand van, maar niet begrepen en niet gewaardeerd. Een betere vorm van ’12 ambachten 13 ongelukken’.
  3. Gaan voor een hoger doel, en je eigen behoeften en lichaam vergeten. In het begin kreeg ik erg last van hoofdpijn: ik ging ca. 1 doosje (20) Paracetamol per week slikken. De drogist zei wel dat het niet gezond zou zijn, maar ik wilde volhouden. Daarna kwam huiduitslag op mijn billen: enorme puisten die gingen bloeden. Ik ging naar de huisarts, die dacht dat ik teveel zittend werk deed, en schreef een zalf voor. Maar dat hielp niet, en achteraf kwam dit, evenals de eerdere hoofdpijn, puur door de stress. Daarna kwamen de slaapproblemen. Ik vond de slaapproblemen ‘in de weg zitten’, ik vond slaap deels inefficiënte onzin, en slaap diende er alleen maar toe om de volgende dag weer zo goed mogelijk te presteren. De heerlijkheden van dromen, halfslaap etc. ben ik pas veel later weer gaan waarderen! En nooit meer zie ik slapen als ‘doel om’, maar vind ik slaap een van de levensdoelen op zich. Het was duidelijk dat ik fysieke ongemakken niet probeerde te voelen.
  4. Privé opofferen. Ik ging geen echt huis kopen, laat staan tuin en huisdier nemen, omdat ik ‘flexibel’ wilde zijn voor een volgende baan. Lage hypotheek, lage lasten, en zo min mogelijk vastleggen qua woonstek. Vrienden had ik overigens wel genoeg, maar thuis knaagde er wel iets: er zat geen leven op mij te wachten, geen planten, geen huisdier, geen mooie ruime ruimten, geen tuin waar ik tot ontspanning kon komen.
  5. Privé opofferen deel 2. Ik ging akkoord met een been in de internationale audit, wat betekende: 5 of 6 dagen per week van huis zijn. Op zondagavond vliegen, of anders op maandagochtend vroeg (wekker om 3 uur), en op vrijdagavond 22 uur terug in het veel te kleine, niet echt eigen appartement. Op deze manier kun je ook niet:
    – lid worden van verenigingen
    – door de week vrienden zien
    – door de week een potentiële partner ontmoeten
    – door de week aan hobby’s doen
  6. In een omgeving werken waar ‘nee’ niet gezegd mag worden. De werkomgeving vereiste in zekere zin een ‘kadaver-inzet’, en een beetje mens (zoals ik) word er dan ook een ‘kadaver’ van: alles voor het werk, niets privé, en een ‘nee’ tegen overwerk wordt meteen loopbaantechnisch afgestraft.Ik ben blij met vallen en opstaan het Amerikaanse bedrijf in 1995 verlaten te hebben, en laten we zeggen tegen 1997 en 1998 weer optimaal te functioneren (met succes, targets etc.). Daarna ben ik nog twee maal in omgevingen geraakt die mij ongelukkig maakten, maar wist ik dankzij mijn eerdere burnout VEEL SNELLER te handelen. Ik was niet meer de kikker die zich bij langzaam stijgende watertemperatuur gaar laat koken, maar had veel sneller door dat iets mij niet beviel, en handelde daar naar. Een van de opvallende dingen aan mijn gedrag is dat als mensen mijn beperkingen niet accepteerden, ik veel explicieter en sjagrijniger werd in de omgang. Ik verborg mijn onvrede niet meer, ik uitte hem.

    Ook ging ik weerstand bieden tegen de mythe van ‘professioneel gedrag’, voor zover er onder verstaan werd: ‘Altijd glimlachen, je aanpassen, doen wat er van je gezegd wordt’. Het bespreken van wat je tegen staat vat IK onder professionaliteit – naast het produceren van professionele inhoud. Als je verder zonder burn-out wil blijven, moet je leren onaangename emoties goed uit te spreken, voorstellen doen hoe situaties te veranderen, anderen overtuigen te veranderen….het is een hele leerweg.

    Assertiviteit PLUS de kunst om als ondanks assertiviteit hindernissen worden opgeworpen, die hindernissen te slechten.

    Een werkomgeving heeft helaas zelden het beste met je voor. Een werkomgeving wil het maximale uit je halen, en vraagt erg zelden of het je bevalt of niet. Vaak heeft men weinig oren naar ‘wat je zou willen’, en is het solliciteren naar een andere omgeving, of het voor je zelf gaan werken, de enige manier om werk te vinden dat goed bij je eigen intrinsieke behoeften passen. Er zijn erg weinig werkgevers die oprecht geinteresseerd zijn in wat jij eigenlijk zou willen, en daar gevolg aan willen geven.

    Nu, in 2019, 26 jaar na mijn burn-out, ben ik blij als directeur van Stichting Burnout zoveel jongere mensen door de groeistuipen te helpen die ik deels ook zelf heb gehad.

    Philippe Blankert 20 juni 2019